Mind Body Medicine
 
 
 
 
 
 
Wetenschappelijk Onderzoek
mindbody.be
Het placebo-effect en het belang van geloof in het genezingsproces

Door de krachtige, positieve evolutie van geneesmiddelen, heelkunde en procedures, werd het belang van de interactie tussen geest en lichaam vergeten en zelfs geridiculiseerd. Het placebo-effect wordt voornamelijk voorbehouden voor mensen bij wie het "allemaal" in het hoofd zit. Gelukkig is dank zij de nieuwe wetenschappelijke vooruitgang in de psycho-neuro-endocrino-immunologie en mind/body medicine, de kracht van het geloof in een totaal ander licht komen te staan. Geloof bepaalt wat je denkt en je denken heeft een rechtstreekse invloed op je fysiologie. (zie studies)

Het probleem van placebo gecontroleerde studies.

Hoe definieer je placebo?
1) "een pilletje", welk in een placebo gecontroleerde studie identiek is aan het actieve bestanddeel?
2) Of is dit veel meer dan een suikerpil nl. de som van alle niet-specifieke interacties, een eenvoudig voorbeeld: het gesprek gekoppeld aan het voorschrijven van het medicijn: is dit al deel van de behandeling of niet?

Twee factoren die de kracht van het placebo-effect doen toenemen zijn:
1) de tijd die men samen doorbrengt (vraag: is dit deel van het succes van de langere homeopathische consultaties?)
2) de hoop die men geeft (binnen een realistisch perspectief kan je daar in ieder geval niets mee verliezen). Hoe reken je dit in je placebo gecontroleerde RCT?

Volgens Dr. Benson is het placebo-effect afhankelijk van 3 componenten:

1. de geloofsovertuigingen van de patiŽnt
2. de geloofsovertuigingen van de zorgverlener
3. de geloofsovertuigingen die het gevolg zijn van de relatie tussen de zorgverlener en de patiŽnt.

1. de geloofsovertuigingen van de patiŽnt
Een studie van Japanse studenten die allergisch waren aan lakboomhars die een soortgelijke uitslag produceerde aan die van giftige klimop, demonstreert de kracht van het geloof van de patiŽnt. (Ikemi, Nahagawa, 1962).
De studenten werden eerst geblinddoekt en er werd verteld dat ťťn arm aangeraakt zou worden met bladeren van de lakboom (waar ze allergisch voor waren) en dat de andere arm aangeraakt zou worden met bladeren van een hazelaar(waar ze in feite niet allergisch voor waren). De onderzoekers wisselden echter de bladeren. De huid waarvan de studenten dachten dat ze aangeraakt waren geweest met bladeren van de lakboom maar die in feite aangeraakt was geweest door bladeren van een hazelaar ontwikkelde uitslag. De huid die feitelijk in contact was gekomen met bladeren van de lakboom, maar waarvan de studenten dachten dat het hazelaarbladeren waren, reageerde niet.(terwijl ze er in feite allergisch voor waren)

2. de geloofsovertuigingen van de zorgverlener
Een studie van behandelingen voor angina pectoris toont aan hoe het geloof van de zorgverlener een ziekte kan beÔnvloeden. (Benson, McCallie, 1979)
Een aantal therapieŽn voor angina pectoris werden decennia lang gebruikt waarvan we nu weten dat ze geen enkele therapeutische waarde hadden. Wanneer ze gebruikt werden door artsen die erin geloofden, hadden ze een duidelijk effect. Ze bleken 70 tot 90% efficiŽnt in het verlichten van de pijn van angina pectoris. Niet alleen de pijn verdween, maar ook de EKG's en de inspanningstolerantie van de patiŽnten verbeterden. Toen deze therapieŽn later echter ongeldig verklaard werden en artsen er niet langer in geloofden, zakte de efficiŽntie tot 30% of lager.

3.De geloofsovertuigingen die het gevolg zijn van de relatie tussen zorgverlener en patiŽnt.
Een studie door onderzoekers aan het Massachusetts General Hospital (Egbert, e.a., 1964) vergeleek twee groepen van patiŽnten die soortgelijke operaties zouden ondergaan. Artsen die verantwoordelijk waren voor hun anesthesie bezochten beide groepen maar interageerden met hen op een totaal verschillende wijze. Ze maakten slechts zijdelingse opmerkingen in de ene groep, terwijl ze de andere groep warmte en veel sympathie schonken en iedere stap van de operatie zorgvuldig uitlegden en ook de pijn beschreven die ze zouden ervaren. De patiŽnten die vriendelijker en meer ondersteunende bezoeken kregen, werden gemiddeld 2,7 dagen vroeger ontslagen uit het hospitaal en vroegen maar naar de helft zoveel pijnstillers dan de patiŽnten uit de andere groep.

Mogelijke mechanismen in de hersenen voor het placebo-effect
Een studie onder leiding van Dr Steven Kosselyn (Kosselyn, e.a., 1993) onderzocht hoe de hersenen zowel feitelijke als ingebeelde informatie verwerken.
Er werd gevraagd om naar een rooster te kijken waarop een letter gedrukt was. Een PET-scan bepaalt ondertussen welke delen van de hersenen actief waren om naar het rooster en de letter te kijken. Dan werden dezelfde personen gevraagd om naar hetzelfde rooster zonder letter te kijken terwijl ze zich de letter moesten visualiseren. De PET-scan werd herhaald. In beide situaties werd hetzelfde gedeelte van de hersenen gestimuleerd. Vanuit het standpunt van de hersenen, is het visualiseren van een scŤne hetzelfde als de scŤne werkelijk zien. Dit verklaart het placebo-effect. Al onze gedachten, daden en herinneringen activeren specifieke verbindingen in de hersenen. Er zijn herinneringen van pijn in onze hersenen. Er zijn ook herinneringen van zonder pijn te zijn. Het geloof in een suikerpil of een niet-actieve therapie kan resulteren in het activeren van verbindingen in de hersenen die ons "herinneren" wat het is om zonder pijn of zonder uitslag te zijn. Op die manier kunnen pijn of uitslag verlicht worden.
De term "placebo-effect" zou vervangen moeten worden door "herinnerd welzijn" wat een verklaring is voor deze krachtige MB reactie. (aldus Dr Benson)

Het is aangetoond dat het placebo-effect doeltreffend is in 60 tot 90% van ziektebeelden zoals bronchiaal astma, duodenaal ulcus, angina pectoris en herpes simplex (Benson, Friedman, 1996; Benson 1996)

 
 
back